Pacifisme is een verlengstuk van de kapitalistische staat

Geweldloosheid en pacifisme zijn twee verschillende dingen. Geweldloosheid is een van de vele gereedschappen in je strijd voor bevrijding en gelijkheid. Het is in te zetten in bepaalde situaties, als er meer uit een actie of handeling valt te halen op een geweldloze manier dan op een niet-geweldloze manier. Het is een legitiem middel in de strijd, net als sommige vormen van geweld dat zijn in bepaalde situaties.

Pacifisme daarentegen is gedogmatiseerde geweldloosheid. ‘Een oog voor een oog maakt iedereen blind’, is de slogan die deze denkwijze samenvat. Het concentreert zich op degene die wraak neemt, waarbij twee dingen genegeerd worden: het feit dat die persoon blijkbaar een reden heeft om terug te vechten (materiële realiteit van onderdrukking) en de oorspronkelijke aanvaller (kapitalisme, patriarchaat, imperialisme).

Pacifisme speelt morele politie voor onderdrukten, maar niet voor onderdrukkers. Zo lang geweld gericht is op onderdrukte klassen en onzichtbaar blijft voor het petty bourgeois oog, vinden pacifisten geweld prima – zelfs als het extreem wordt, zoals in apartheidstaten, genocides, imperialistische oorlogen, EU grenspolitiek, etc. Maar zodra mensen zich beginnen te verzetten tegen precies dat geweld, dan klimmen pacifisten ineens in de pen. Dan worden claims op moraliteit gemaakt en morele grenzen getrokken. Dan is geweld ineens onacceptabel. Deze *policing* (daar moet een Nederlands woord voor komen) van machteloze, onderdrukte mensen die hun menselijkheid terugclaimen is de zachte versie van de repressie van de heersende klasse. Pacifisme is daarmee niet alleen een moralistisch standpunt, maar ook een verlengstuk van de kapitalistische staat (die alleen kan functioneren door de onderdrukking en uitbuiting van het volk), juist omdat het weigert solidair te zijn met mensen in hun strijd voor hun bevrijding.